IMG_8398.JPG

Nicaragua. Tussen kleine boeren en gretige kopers


Nicaragua

Tussen kleine boeren en gretige kopers


Onder de noemer Café y Cacao werken publieke en
private partners in Nicaragua samen om koffie- en
cacaoboeren toegang te geven tot de duurzame
markt. Handelsbedrijf Ecom investeert, SNV
bemiddelt en treedt op als waakhond van eerlijke
verhoudingen. Na een jaar komen experts uit
Ghana, Oeganda, Kenia, Indonesië en Vietnam
kijken hoe het gaat.


Vice Versa : maart 2015

 

Het is een steile klim van vijftien minuten naar boven. Don Ramon Pineda Blandon, eigenaar van de finca loopt voorop met zijn kaplaarzen aan en de machete aan zijn broek. Links van het pad hangen bijna rijpe passievruchten, rechts ligt de regenwoudvallei. Nog hoger ligt de goudmijn: de dertig jaar oude cacaoplantage ter grootte van drie manzanas (2.1 hectare). Ramons vader plantte vijf verschillende cacaobomen. Hij bewerkt de pilotage volgens de familietradities zoals het planten via zaden. Maar sinds in november twee technische adviseurs van handelsbedrijf Ecom Agroindustrial Corp zijn finca bezochten, staat don Ramon open voor nieuwe technieken. Twintig procent van de cacaobomen produceert tachtig procent van de hele oogst. Dit kan beter en lucratiever. De productie moet omhoog. De adviseur van Ecom, Erick Leiva wijst een boom aan waaraan slechts drie vruchten hangen. ‘Als we op deze stam een vruchtbare tak enten, zal deze treurige boom veel meer vrucht gaan dragen. Tegelijkertijd sparen we het regenwoud omdat we op deze manier geen nieuwe grond hoeven te ontginnen om nieuwe cacaobomen te planten.’

Ecom is een van de partners binnen het Public Private Partnership project Café y Cacao (Promessa-Cafca) van SNV dat Nicaraguaanse koffie- en cacaoboeren helpt met toegang tot de duurzame markt. Het hoofddoel is de inkomstenverhoging van 5000 kleine koffie- en cacaoboerenfamilies en het verbeteren van hun levensonderhoud en voedselzekerheid. De oogstcapaciteit moet omhoog. De boeren zijn daarom verbonden aan 20 cacao- en koffiecoöperaties en SNV vormt de link tussen de boeren en bedrijven. Doordat SNV al meer dan dertig jaar in Nicaragua met lokale organisaties werkt, weet ze precies waar de boeren zitten. Als mediator brengt SNV de bedrijven in contact met boeren die zij anders nooit hadden kunnen bereiken.

Eind januari kwam het wereldkoffie- en cacaoteam van SNV uit Ghana, Oeganda, Kenia, Indonesië en Vietnam naar Nicaragua toe om het inclusive business project te bezoeken. De agricultuur-, duurzame energie- en sustainable market-experts brachten een bezoek aan verscheidene koffie- en cacaoplantages, coöperaties en koffie- en cacaoverwerkingsfabrieken en gingenraakten in gesprek met de projectpartners. Deze zijn naast Ecom, FUNICA(Foundation for Nicaraguan Farming and Forestry Technology), het keurmerk voor duurzame landbouw UTZ en de Pan-Amerikaanse universiteit voor agricultuur El Zamorano. De krachtvan de samenwerking ligt in het bundelen van de ervaring van deze partijen zoals toegang tot de markt, financiële service, technologische innovatie, businessontwikkeling en het aangaan van strategische allianties met verschillende stakeholders en coöperaties. Het koffie- en cacaoteam wil onderzoeken hoe zij dit voorbeeldproject in Nicaragua naar een mondiaal niveau kunnen brengen. Wat kunnen anderen leren van hoe dit Public Private Partnerschap is aangepakt? De NGO-sector slaat noodgedwongen een andere richting in, - is een Public Private Partnership als deze een juiste manier om een toekomst te garanderen voor NGO’s? 

‘Ecom wil de koffie- en cacao-productie laten groeien. Rechtstreeks contact met de boeren is daarom voor ons belangrijk. Als we technische assistentie willen geven aan de boeren om hun productie te laten groeien, moeten we weten waar de boeren zitten die dat nodig hebben. SNV heeft die contacten. Zo kunnen we effectief te werk gaan,’ zegt Francisco Zamora, directeur van Ecom’s exportbedrijf Atlanta. Voor sustainable business zijn strategische allianties noodzakelijk. Ecom investeert om de kwaliteit voor de verschillende soorten cacao en koffie te verbeteren. Daarvoor hebben ze een laboratorium. ‘Het PPP maakt ons sterker. Op deze manier hebben we via het netwerk van SNV, FUNICA en UTZ overal ter wereld toegang tot allerlei experts, ook op vakgebieden waar wij zelf niet direct experts voor hebben zoals sociale-, milieu- en vernieuwingsaspecten voor voedselzekerheid,’ zegt Zamora.

 

Modelboederij Die voedselzekerheid is een van de vijf compontenten van het project. Evelia Lopez is sinds acht jaar eigenaresse van finca Santa Helena nabij San Juan de Río Coco, een stadje waar vrouwen op de stoep voor hun huis de goede van de slechte koffiebonen scheiden. Lopez heeft een modelboerderij waar drie soorten koffieplanten groeien. Hoog boven de planten tiert de oorspronkelijke regenwoudvegetatie. De technische assistenten leren Lopez hoe ze zo zuinig en goed mogelijk om kan gaan met water en de natuur. Ze bezoeken haar eens per twee weken. Via de coöperatie waarLopezlid van is betalen de boeren samen voor certificaten. ‘Ik heb gekozen voor biologisch en Be Friendly. Biologisch is beter voor de gezondheid en het betaalt beter, gemiddeld dertig dollar meer per 45 kilo bonen. Daarnaast is Be Friendly goed voor de natuur, vogels kunnen nog steeds een nest bouwen in de hogere bomen,’ zegt Lopez.

Coöperaties zijn de sociale partners waarmee SNV samenwerkt: de ontvangers. Zij genieten onder andere financiële steun en begeleiden SNV in het uitvoeren van het project. Zo werkt FUNICA al jarenlang samen met SNV om de boeren technische ondersteuning te geven. De coöperatie waar Lopez lid van is, is onderdeel van de Unión de Cooperación Agropecuarias van San Juan de Río Coco. Niet iedere producent heeft een directe link met de markt en daarvoor zijn de coöperaties. Ze hebben macht omdat ze kennis hebben en weten hoe ze moeten onderhandelen met bijvoorbeeld de Europese en Afrikaanse markt. Het resultaat is een betere prijs voor de koffie. De meeste boeren verbinden zich aan een coöperatie die dichtbij is, het meest betaalt en de beste secundaire voorwaarden biedt zoals technische assistentie en leningen. Het eerste contract is drie jaar. Daarna tekent de boer per jaar. Vooral in de eerste periode investeert de coöperatie veel. Zo kosten alleen de materialen voor het aanleggen van een kas en biointensieve tuin, - een kleine moestuin waar heel compact negen soorten gewassen groeien, al vijfhonderd dollar. Daar komen de kosten van de technische assistentie bovenop.

Met de biointensieve tuin wil SNV allereerst voorzien in voedsel voor de familie. Daarnaast is bedoeling dat de boer een deel verkoopt. Via een smal paadje leidt Lopez ons naar haar kas. In de lange tunnel van dun katoen van 3 bij 33 meter lang, groeien straks tomaten en paprika’s voor de verkoop. Het katoenen doek houdt de dieren weg en beschermt de oogst tegen harde regen. Over drie maanden is de eerste oogst klaar. Naast de kas ligt trapsgewijs de 10 bij 30 vierkante meter grote moestuin. Met hulp van de technische assistenten van universiteit Zamorano, een van de samenwerkingspartners in het PPP, spitte Evelia de grond dertig centimeter diep om. ‘Dat is niet de traditionele manier van werken, maar de assistenten legden me uit dat de planten op deze manier beter wortelen in de grond,’ zegt Evelia. Per strook zijn er drie gewassen, zo staan tomaat, kool en ui bij elkaar. De in totaal negen gewassen bedekken zowel koolhydraten, eiwitten, vitamines als mineralen. ‘We willen het dieet uitbreiden en de boerenfamilies gezonder laten eten, maar het is een uitdaging om de boeren daadwerkelijk alle gewassen te laten eten,’ zegt voormalig SNV Nicaragua directeur Miguel Angel Mendez Castellanos. Het is niet het enige waar de producent in opgevoed moet worden. ‘De strijd zit in de mentaliteit van de producent. Vaak gebruiken ze dezelfde zak voor zowel koffie- en cacaobonen, als voor groenten, rijst en kaas. Als ze de bonen hebben weggebracht, vullen ze deze op de terugweg met andere gewassen. De zakken worden niet schoongemaakt en zijn smerig. Dat komt natuurlijk niet ten goede van de kwaliteit van de boon. Het is moeilijk om dat gedrag te veranderen,’ zegt Castellanos.  

 

Ritter Sport Het opkopen van cacao verloopt overigens anders dan koffie, omdat Ritter Sport de hele productielijn doet. Ritter Sport koopt negentig procent van de Nicaraguaanse cacao op en geeft daar een hoge prijs voor, zo wil ze boer stimuleren om cacao te produceren. ‘Dat is lastig, omdat cacaoproductie in Nicaragua nooit vanzelfsprekend is geweest. Er heerst hier meer een koffiecultuur,’ zegt zegt Ritter Sport bedrijfsleider Jaume Martorell Mir op het hoofdbureau in Matagalpa.

Met de start van het bedrijf in 1990, betaalden ze per ton cacaobonen duizend dollar bovenop de prijs die op de aandelenbeurs in New York wordt gegeven. Dit jaar is dat plus vierhonderd dollar. Het achterliggende idee is om de cacaoprijs te stimuleren. Tot nu toe lukt dat. De afgelopen jaren steeg de lokale marktprijs behoorlijk. Tussen 1990 en 2005 investeerde Ritter vijf miljoen dollar in kleine cacaoboeren en inmiddels zijn meer dan vijfduizend boeren verdeeld over twintig coöperaties, verbonden aan Ritter. Maar de middelen zijn beperkt: er is meer cacao nodig want Ritters afzetmarkt groeit hard. Sinds kort is ook Rusland erbij. Om die reden zoekt Ritter contact met SNV om toegang tot meer boeren te krijgen en kocht ze bovendien een stuk land voor een eigen cacaoplantage. 

‘De hoofdreden dat boeren voor ons kiezen, is de hogere prijs die ze voor hun cacao krijgen. Daarnaast krijgen ze leningen die ze terug kunnen betalen in cacaobonen. Ritter betaalt de coöperatie, die vervolgens de boeren uitbetaalt,’ zegt Mir. Hij wijst de plek aan waar de cacoabonen drogen in een soort kas. Meerdere vrouwen lopen met een hark tussen de bonen door. Coöperaties mogen hier hun bonen gratis drogen, branden, zeven en selecteren met de sorteermachine. Zelfs de jutezakken waarin de bonen gaan, krijgen ze van Ritter. Op de achterkant van de zak staat van welke finca de cacao komt. Sommige cacaoboeren als don Ramon, wonen te afgelegen en zijn daardoor geen lid van een coöperatie en kunnen de cacao niet aan Ritter verkopen. Deze boeren kunnen zich verbinden aan het handelsbedrijf Ecom.

‘We werken alleen met kleine boeren die onderdeel zijn van een coöperatie, omdat we precies willen weten waar de cacao vandaan komt. Ons streven is dat 80 procent van onze cacao in 2020 van kleine boeren afkomstig is. Dit is onze sociale verantwoordelijkheid. De eerste fase in het samenwerken met de coöperaties was het moeilijkst, vooral het werken aan de kwaliteit. De boeren fermenteerden de bonen op hun eigen land. Ritter stimuleerde om in plaats van gefementeerde bonen, natte bonen in te zamelen om zo een homogene kwaliteit te krijgen. De eerste jaren wezen we tweehonderd producenten af, afgelopen jaar waren dat er slechts twintig,’ zegt Mir. De bemesting is erg laag en er is een gebrek aan kennis hoe de producenten om moeten gaan met ziektes. Daar waar voorheen een cacaoprijs was, introduurde Ritter Sport drie betaalniveau’s. Voor biologisch geproduceerde bonen en het duurzaamlandbouwcertificaat UTZ, krijgt de boer een hogere prijs. Dat stimuleert boeren om een betere cacaosoort te produceren.

 

Duurzaam Een van de cacaocoöperaties is La Campesina Acopio Central in Waslala. De oprichting in 2000 verliep moeizaam. Er was geen markt om te verkopen, ze had slechts 58 leden en de technische service was matig. SNV hielp de coöperatie te groeien. Nu de coöperatie het UTZ-certificaat heeft en directe contacten met Ritter die rechststreeks van hen koopt, is de afzetmarkt fors gestegen. Tweehonderd cacaoboeren waarvan zestig procent gecertificeerd is, leveren aan de verschillende verzamelcentra van de coöperatie. Deze coöperatie fermenteert en droogt op eigen terrein. 

Ecom dat de opgekochte cacao aan andere chocolademerken dan Ritter verkoopt, kan betreft prijs niet concurreren met Ritter. Maar omdat niet iedere cacaoboer verbonden is aan een coöperatie ligt daar voor hen een kans. Naast technische assistentie, zet Ecom zich in op innovatie en genetische ontwikkeling van de cacao- en koffieboonkwaliteit. In het laboratorium doen ze onderzoek naar hibriderassen. Directeur Zamosa en een van zijn laboratoriummedewerkers demonstreren voor het laboratoriumgebouw hoe ze te werk gaan. ‘Het nieuwe systeem is om op de middelste stam de kloon te enten, omdat in 90 procent van de gevallen deze stam vrucht draagt en het minder lang duurt voordat hij vrucht draagt. We werken niet met zaad, maar via een technisch proces met cellen. Deze cacaoboon smaakt veel beter dan wanneer je via zaad een nieuwe cacaoboom laat groeien. Tachtig procent van de via zaad geteelde planten draagt geen vrucht,’ legt de laboratoriumwerker uit. Door middel van klonen werken ze aan nieuwe variaties die ze uitwisselen met de overige wereldwijde laboratoria van Ecom. Zo onderzoeken ze of een Nicaraguaans plantje beter in Ghana of Ecuador groeit.

Per jaar produceert Ecom een miljoen plantjes, maar dat is lang niet genoeg. Ze zouden jaarlijks een biljoen planten aan de boeren kunnen verkopen. In Centraal-Amerika betaalt een boer 40 dollarcent per stuk. Zamora: ‘Deze gekloonde cacaoboompjes zijn geliefd bij de producent. Tot aan 2017 zijn we volledig uitverkocht. Er is wel vaker onderzoek gedaan, maar dan komt het nooit in de juiste handen terecht of er wordt niets met de resultaten gedaan. Hier komt het resultaat – de meest vruchtbare en beste plant – in handen van de boer. SNV gebruiken we daarbij als mediator. Wij willen winst, maar bepaalde toegang of kennis hebben we niet. Het was altijd de publieke sector die de minder bedeelden hielp – maar deze sector is niet duurzaam. Wij wel en daar zetten we op in. Als wij een duurzaam bedrijf zijn, groeit het inkomen van de boeren. En dat willen NGO’s uiteindelijk ook.’

 

Eigen rol Een jaar is te vroeg om te suggeren of het PPP is geslaagd. Toch komen enkele bevindingen naar voren die het slagen of falen bepalen. De grootste verantwoordelijkheid ligt bij Ecom. Zij moet het nut van de investering inzien. Coöperaties moeten de boeren helpen met het versterken van hun expertise in het samenwerken met grote handelaren en exportbedrijven. Beide partijen moeten inzien dat die investering loont. SNV helpt met een open en eerlijke relatie tussen de partijen en moet voortdurend controleren of de handelscultuur ook gezond blijft. Dit is een stap vooruit in de mondiale gedachtegang van bedrijven. Tot tien jaar geleden waren bedrijven van mening dat de sociale verantwoordelijkheid bij NGO’s en de overheid lag.

Het eerste jaar van het project moest SNV veel improviseren. Ze kwam in contact met veel lokale organisaties, maar niet alle contacten hielden stand. ‘Allereerst was het belangrijk om de managementstructuur van de coöperaties te versterken en te investeren in de technische assistentie. Daarna komt de rest,’ zegt Castellanos. Op organisatorisch niveau hielp SNV met het vinden van de sterke en zwakke punten van de coöperaties. Wat was hun rol, representiviteit, wie vertegenwoordigde hun leden en waren daar ook vrouwen bij? Daarnaast gaf ze marketingadvies zoals het vinden van nieuwe kopers, bijvoorbeeld Starbucks in de VS. ‘Over de echte winst zoals het verhogen van de productiviteit, omgevingsverbetetering en een betere cacao- en koffieprijs, kunnen we pas over drie of vier jaar meer zeggen,’ zegt Castellanos. Het is cruciaal voor een PPP dat iedere organisatie een eigen rol heeft, want dat is de sleutel tot succes. ‘Spreek dat van te voren heel duidelijk af. Een echte betrokkenheid van het bedrijf, zowel van het midden- als hogere managementteam is noodzakelijk. Als dat er niet is, heeft een project geen zin. Als een bedrijf aangeeft dat ze de levensomgeving van de boer wil verbeteren, dan liegt ze. Een echt bedrijf wil winst maken en alleen die bedrijven willen we. Dat maakt het duurzaam. Anders zijn we de zoveelste PPP die na 3 jaar stopt.’     

De rol van mediator en coördinator geldt voor SNV wereldwijd. In die zin is het PP opschaalbaar naar een mondiaal niveau. Tegelijkertijd ziet SNV global Koffie- en Cacaocoördinator Harm van Oudenhoven in dat een PPP alleen werkt als er donorgeld is. ‘Ecom zou ons waarschijnlijk niet betalen als er geen donorgeld was. Dat is een kanttekening. Het is raar dat met subsidiegeld grote multinationals als Ecom en Nestle worden geholpen om nog meer winst te maken. Zo speel je de boer in de richting van multinationals in plaats van kleine of middelgrote bedrijven. Een mooi initiatief is Mondalez International dat met haar programma Cocaolife investeert in boeren zonder subsidiehulp. Dat is een kant die het op zou kunnen gaan,’ zegt Oudenhoven. Ook Castellanos ziet in dat wat in Nicaragua werkt, niet per se ook in Afrika of Azie hoeft te werken. Daarom is het voor SNV van groot belang om te starten met het standaardiseren van de manier waarop ze bedrijven benadert. Ze moet zich globaal gaan verkopen als mediator en coördinator aan grote bedrijven. ‘Kwaliteit is standaardisatie. Ecom is Ecom, de Macdonalds is Macdonals. Wat is SNV? We moeten zorgen dat SNV op eenzelfde manier opereert in de hele wereld en dat kan ook met rijst of palmolie. De kern is het uitbreiden van business development. Als we dat doen, overleeft SNV. Ook wij moeten competatief zijn.’

 

Coöperaties spelen in Nicaragua een belangrijke rol in het helpen van de koffie- en cacaoboer. Hoe zit dat in de rest van de wereld?

Oeganda, Sylvia Namara (adviseur duurzame energie):

‘Koffie is het grootste exportproduct in Oeganda. Iedere familie verbouwt koffie naast zijn bananen of mais. Maar koffie kun je maar eens per jaar oogsten, terwijl dat met veel andere gewassen twee keer per jaar is. Momenteel is er een ziekte dat de hele koffieboom aantast. Niemand wil herplanten. In Nicaragua zijn de boeren veel enthousiaster over hun product. In Oeganda is de producent al lang blij als iemand zijn oogst wil kopen. Hij verkoopt aan wie maar langs komt en ontvangt minder dan een dollar per kilogram geroosterde koffiebonen. Een boer krijgt geen krediet en er zijn veel tussenhandelaren. Daarnaast is de koper niet bereid om te investeren in de boer. In Nicaragua zie ik een grote interesse van de bedrijven om te investeren, dat is noodzakelijk voor een PPP. Het moet vanuit Ecom komen. Als zij niet bereid is te investeren in de koffieboer – dan houdt het simpelweg op. Een andere vraag die ik heb is hoe we de overheid kunnen betrekken bij onze projecten met betrekking tot de coöperaties. In Nicaragua zijn coöperaties veel sterker dan in Afrika. Ooit hadden we sterke coöperaties, maar de regering maakte ze machteloos.’

 

Vietnam, Le Anh Tuan (Adviseur sustainable market Specerijen, Shanthee en koffieprogramma):

‘In Vietnam hebben we een soortgelijk project met negen bedrijven, waaronder Ecom, waarbij we de boeren trainen. Door het communistische verleden is er een negatief beeld over coöperaties, daardoor werken we met dertig tot vijftig boerengroepen. Dat werkt verschillend, want tussen de boer en het bedrijf zijn veel tussenhandelaren. Dat maakt het moeilijk om de kwaliteit te controleren en te verbeteren. Momenteel zijn we bezig met het UTZ-certificaat. Sinds de start van het project in 2012 is de winst met meer dan tien procent omhoog gegaan. Ook geven we een premium award aan de boer met de beste koffie. Voorheen gingen deze awards naar de handelaar. Een volgende stap is het trainen van de handelaren om de kwaliteit te controleren. Dat is de sleutel tot succes: hen betrekken bij ons project, want ze weten precies waar alle boeren zitten. Dat is moeilijk, maar de handelaren zijn enthousiast om onderdeel te zijn van het project waaraan 44.000 boeren deelnemen. Daarnaast maken we reclame op televisie en radio hoe boeren de koffiekwaliteit omhoog kunnen brengen. Er zijn 200 miljoen boeren en van hen is slechts 20 procent onderdeel van een boerengroep. Als je een duurzaam model wilt, ben je genoodzaakt over te gaan tot collectieve actie.’

 

Ghana, Ernest Adzim (adviseur agricultuur):

‘In Ghana droogt en brandt de boer de cacaobonen. Dat geeft een grotere schommeling in de kwaliteit, want het branden komt erg nauwkeurig aan. Daarnaast zijn de boeren niet enthousiast om cacaobomen te enten. We hebben de laatste jaren veel ziektes gehad die de hele cacaoboom tot aan de wortel toe vernietigde. De boeren hebben geen zin om te investeren en enten kost veel tijd. De meeste cacaobomen zijn oud. Bovendien is de hele cacaosector in handen van de overheid, het is de basis van onze economie. Hoewel er daardoor maar een coöperatie is, werkt het ten goede voor de kwaliteitscontrole van de cacaoboon. Daarnaast investeert de overheid veel geld in onderzoek en geeft ze beurzen aan kinderen van cacaoboeren.’

 

tekst en beeld Arachne Molema 

 

Voor het orinele artikel: Klik hier